Raph de Haas

 

Ik stond op het terras van ons huis. Het park dat voor me lag werd verlicht door de maan. Geen detail kon me daarom ontgaan.
Ik weet het nog goed, het was dood en doodstil en ik was onrustig en bang.
Ineens viel de maan naar beneden.
De maan liet los uit de hemel en bleef hangen, een moment lang, vlak boven de bomen aan de overkant van de vijver. Het was alsof hij ergens over na wilde denken. Daarna dook hij het park in, alsof hij zich moest verbergen, maar door zijn formaat had hij geen schijn van kans.
Ik keek naar een grote, lichtgevende schijf tussen stammen van oude bomen. Eerst ging hij naar links, daarna naar rechts. Hij raakte daarbij verstrikt tussen takken van grote struiken. Hij ging weer omhoog en weer naar links, alsof hij iets zocht. Een scharrelende maan tussen oude bomen op een heuvel, aan de overkant van een grote vijver.
Uiteindelijk kwam hij los uit dat bos en begon over het water te zweven. Hij begon de ruimte te beproeven, eerst langzaam en bedachtzaam, daarna steeds sneller en sneller. Ten slotte scheerde hij met een enorme vaart over de vijver, van links naar rechts en van rechts naar links. Soms raakte hij daarbij het water. Dan siste hij even.
Nooit eerder had ik de maan echt gezien. Ineens hing hij vlak voor mijn gezicht. Hij had me in de gaten gekregen en was naar me toe gekomen. Hij was groot en kalm en ademde rustig. Toen hij zeker wist dat ik hem zag, begon hij te draaien, niet om zijn as, niet als een munt op een glad oppervlak, maar als een schijf. Hij draaide tegen de richting van de klok in, eerst langzaam, daarna sneller en uiteindelijk met een duizelingwekkende snelheid.
Ik draaide me om, ging het huis binnen om mijn moeder te zeggen dat mijn vader terug was gekomen.
Ik vond haar in de keuken. Omdat ze me, als altijd, steeds weer in de rede viel, kon ik onmogelijk duidelijk maken waar het om ging. Het duurde lang, heel lang, voordat ze mee wilde komen. Ze droogde haar handen af aan een vaatdoek, aan haar schort en aan een andere vaatdoek en liep voor me uit de gang door, naar buiten.
We stapten de deur uit. Er was niets meer te zien. Het was donker en mijn moeder haalde haar gelijk. Ze was ontevreden en kwaad. Ze vond dat ik in het vervolg naar haar, en alleen naar haar, moest luisteren.
Ik liep van haar weg, de trap van het terras af. Ze kwam achter me aan. We konden niets zien, maar ik kende de weg. Ik wist dat we langs seringen gingen en langs een goudenregen. Er stond daar een beeld dat nooit was afgemaakt en er waren mooie, stille brueghelboompjes. Mijn moeder klaagde.
Aan de andere kant van het huis, op de binnenplaats, kraakten kiezelstenen onder onze voeten. Pas toen we aan de zuidkant van het gebouw waren gekomen, zagen we wat ik zocht.
Aan de overkant van een groot grasveld, hoog boven hoge dennenbomen, hingen een aantal grote, lichtgevende ringen in de lucht.
Ik moest denken aan het vignet van de olympische spelen.
Die ringen hingen daar doodstil en verlichtten het park.
Ik wilde niet denken aan het vignet van de olympische spelen, maar deed dat toch.